EEN DEFINITIE VOOR DICHTKUNST

Antje Meiresonne
Over Alpejagerslied van Paul van Ostayen 
en Moeder  van Martinus Nijhoff


Een definitie voor de dichtkunst 

La poesia è l’arte di mettere il mare in un bicchiere, poëzie is de kunst de zee in een glas te vangen, 
heeft de Italiaanse schrijver Italo Calvino ooit gezegd, en in mijn hele leven ben ik nog geen betere definitie van de dichtkunst tegengekomen. 
Een ware dichter verstaat de kunst een actie, een gevoel, een gedachte, ja zelfs een persoon te vangen in enkele woorden, zonder daarbij iets verloren te laten gaan. Integendeel, doordat de woordkeuze, de beeldspraak en het ritme in de regels in teken staan van wat beschreven wordt, 
wordt dit onderwerp verheven tot iets hoger, en worden vormschoonheid en betekenis verweven tot een prachtig, onlosmakelijk geheel. 

Neem nu het Alpejagerslied van Paul van Ostaijen. 

ALPEJAGERSLIED             Voor E. du Perron 

Een heer die de straat afdaalt 
een heer die de straat opklimt 
twee heren die dalen en klimmen 
dat is de ene heer daalt 
en de andere heer klimt 
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx 
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers 
treffen zij elkaar 
de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand 
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand 
dan gaan de ene en de andere heer 
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende 
de rechtse die daalt 
de linkse die klimt 
dan gaan beide heren 
elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed 
elkaar voorbij 
vlak vóór de deur 
van de winkel 
van Hinderickx en Winderickx 
van de beroemde hoedemakers 
dan zetten beide 
heren 
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende 
eenmaal elkaar voorbij 
hun hoge hoeden weer op het hoofd 
men versta mij wel 
elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd 
dat is hun recht 
dat is het recht van deze beide heren 

Paul van Ostaijen (1896 – 1928)

De beschreven actie is eenvoudig, banaal haast: twee heren komen elkaar tegen op straat, groeten elkaar en vervolgen elk hun eigen weg. Toch wordt deze actie door speciale woordkeuze tot poëzie gemaakt. Hoe is dit in godsnaam mogelijk? 
In zijn kenmerkende stijl gebruikt Van Ostaijen een buslading aan herhalingen, die desondanks niet saai worden, mede door de continue tegenstelling tussen de klimmende en dalende, de linkse en rechtse heer. In eenvoudige bewoordingen wordt een momentopname geschetst. 

De schoonheid van het Alpejagerslied zit hem in zijn tere eenvoud, en het samenspel van de klanken wanneer het voorgedragen wordt. Toch kon men dit pronkstukje in het verleden niet echt waarderen. Het was te revolutionair, te vernieuwend. 

Maar welke kunst is nog kunst als zij zichzelf niet steeds vernieuwt? Waarom zou men vasthouden aan dogma’s en alle revolutie in de kiem smoren? Welke vooruitgang is er dan nog over? De uniekheid en originaliteit van dit gedicht is meteen ook een van zijn troeven. Van Ostaijen is geen dichter van dertien in een dozijn, en zijn poëzie is poëzie om te onthouden, want hij bezit als geen ander de gave om met klanken, herhalingen en ritme een bepaalde sfeer te scheppen en een beeld te vangen op papier. 

Het zijn echter niet alleen de moderne gedichten die in staat zijn een indruk tot leven te wekken, ook klassieke gedichten zijn hiertoe in staat, en welke dichtvorm is klassieker dan het sonnet? 
Moeder, van Martinus Nijhoff, verscheen in dezelfde periode dat Paul van Ostaijen furore maakte, maar het verschil tussen beide dichters kon niet groter zijn. Nijhoff streeft naar klassieke schoonheid, in alle eenvoud, zonder daarbij oppervlakkig te worden. Toch zijn er gelijkenissen tussen beide gedichten. Net als van Ostaijen schetst Nijhoff in enkele regels een beeld van een (zijn?) moeder in verschillende fases van haar leven. 

MOEDER 

We liepen samen dikwijls langs de stranden 
Als ’t avond werd. Dan zong ze naast de zee - 
Ik, kleine jongen, die haar stem zoo kende, 
Ik hield haar hand en zong de liedjes mee. 
Een klein wit vrouwtje, met nerveuse handen 
En steeds bewegend, steeds bewegend hart - 
Wij wisten dat in haar geleden werd, 
Dat zij het leven kende, en ’t voelde branden. 
Ze ligt in ’t graf met het gelaat naar boven, 
Donkere moeder, wieg haar lichaam warm, 
Zie, als een kind ligt zij naakt in uw schoot - 
Zachter dan ’t leven zij haar de eeuw’ge dood, 
Die mensen eenzaam maakt en stil en arm - 
Maar die het witte zonlicht niet kan dooven. 

Martinus Nijhoff (1894 – 1953)

Het gedicht is als een combinatie van herinneringen. In een sonnet is geen enkel woord overbodig, alles is perfect afgelijnd door regeltjes. Hierdoor is het moeilijk om nog een beetje emotie te laten doorschemeren in de poëzie, maar bij het lezen van Moeder krijgt men een gevoel van weemoed en heimwee mee, een gemis naar die persoon die een moeder was voor de dichter. 

En ondanks alles is dat volgens mij toch het ware doel van poëzie, het overbrengen van emoties en het omlijnen van een indruk. Deze muziek met woorden is door de eeuwen heen steeds opnieuw uitgevonden, verbeterd en vernieuwd, maar de essentie blijft hoe dan ook bewaard. Velen zijn in staat de zee in een glas water te vangen, maar de manier waarop varieert oneindig. 

De waarde van een gedicht is dan ook niet in regels te vatten, wat een goede zaak is, zo blijft het vluchtige mysterie van de poëzie intact. 

Antje Meiresonne 
Sint Bavo Humaniora